cactus

Over de Spaanse taal

Verder naar pretérito imperfecto

Het vervoegen van de "pretérito indefinido"

Het regelmatige werkwoord hablar

  • Yo hablé
  • Tú hablaste
  • Él/Ella/Usted habló
  • Nosotros/Nosotras hablamos
  • Vosotros hablasteis
  • Ellos/Ellas/Ustedes hablaron
  • Ik praatte
  • Jij praatte
  • Hij/zij/u praatten
  • Wij praatten
  • Jullie praatten
  • Zij praatten, u (meervoud) praatte

Het regelmatige werkwoord comer

  • Yo comí
  • Tú comiste
  • Él/Ella/Usted comió
  • Nosotros/Nosotras comimos
  • Vosotros comisteis
  • Ellos/Ellas/Ustedes comieron
  • Ik eet
  • Jij eet
  • Hij/zij/u eet
  • Wij eten
  • Jullie eten
  • Zij eten, u (meervoud) eet

Het regelmatige werkwoord vivir

  • Yo viví
  • Tú viviste
  • Él/Ella/Usted vivió
  • Nosotros/Nosotras vivimos
  • Vosotros vivisteis
  • Ellos/Ellas/Ustedes vivieron
  • Ik leefde
  • Jij leefde
  • Hij/zij/u leefde
  • Wij leefden
  • Jullie leefden
  • Zij leefden, u (meervoud) leefde

Verder naar vervoegingen pretérito imperfecto